Er is in de modelbouw veel te doen over railvoeding. Standaard is dat je de aansluitrails gebruikt die de leverancier van jouw eerste startset in die set meelevert. De aansluitrails geeft je bij het drierail-wisselstroom systeem van Märklin en het tweerail gelijkstroomsysteem van alle andere merken de mogelijkheid om de transformator aan de rail aan te sluiten. Het maakt niet uit of je digitaal gaat rijden dan wel analoog, want je sluit gewoon de plusdraad op de ene aansluitknop aan en de mindraad op de andere. Rij je analoog, dan draai je de potmeter (de draaiknop bovenop de trafo) naar wens linksom of rechtsom en de trein gaat de ene kant uit of de andere. Meestal volstaat de hoeveelheid stroom (spanning) die je op deze manier op de baan zet om een trein probleemloos over de cirkel of de ovaal te laten rijden die met de startset wordt meegeleverd. Bedenk dat de railschoentjes (raillassen) voor enig spanningverlies zorgen zodat bij baanuitbreidingen de kans bestaat dat verder van de aansluitrails verwijderde baanvakken (secties) minder voeding krijgen, waardoor de trein aldaar niet zo lekker meer loopt.

Dit kun je verhelpen door onder de treintafel een dubbele ringleiding aan te leggen en deze te laten voeden vanaf de trafo. Door op bepaalde plaatsen voedingsdraden af te takken van deze ringleiding en die draden vast te solderen aan de rails, zorg je er voor dat overal op de baan de railvoeding gelijkmatig is.

Wanneer je analoog rijdt met behoorlijk wat rijlengte is het misschien leukom je baan in vakken (secties) te verdelen. Elk baanvak beveiligd met een seinpaal en misschien zelfs een heus voorsein. Het is mogelijk om zo’n sectie elektrisch te scheiden van de andere sectie(s) door de railschoentjes te vervangen door plastic exemplaren. In dat geval ben je verplicht om elke sectie van aparte voedingdraden te voorzien. Maar er is meer mogelijk. Je kunt de voeding via de seinpalen laten lopen. Wanneer de paal groen of geel licht vertoont, wordt de railvoeding doorgelaten. Is het seinbeeld rood, dan staat er geen spanning op het baanvak.

Rij je digitaal, dan kun je hetzelfde effect bewerkstelligen via de commandocentrale. Je hoeft dan alleen de secties niet elektrisch te scheiden omdat de treindecoder niet reageert op de railvoeding maar op het commando ‘afremmen’, ‘stoppen’ en ‘optrekken’. Deze commando’s moeten natuurlijk wel corresponderen met de seinbeelden langs de baan. Het realiseren van bloksystemen op een digitale baan vergt overigens wel wat denkwerk en uitproberen. Ieder digitaal systeem heeft namelijk zijn eigen mogelijkheden. Maar belangrijk blijft dat de railvoeding alle baanvakken goed moet kunnen bedienen. Je kunt voor de afstand tussen de soldeerpunten als vuistregel ongeveer twee meter raillengte aanhouden. Bij meer sporen naast elkaar (in stations bijvoorbeeld) is het raadzaam ze allemaal apart van voedingdraden te voorzien.